Hooibergen


Met stal en wagenschuur maakte de hooiberg eeuwenlang een vast onderdeel uit van een boerderij-ensemble. Het is nog niet zo lang geleden dat bij elke boerderij ten minste één hooiberg stond. Een goed gevulde hooiberg was essentieel om met de veestapel het winterseizoen door te kunnen komen. In recente tijd zijn de hooibergen echter op een nauwelijks aandacht trekkende wijze aan het verdwijnen uit ons landschap. Het aantal agrarische bedrijven neemt snel af. Een niet-agrariër die een vrijgekomen boerderij gaat bewonen heeft vaak weinig behoefte aan een hooiberg. Innovaties in de landbouw hebben geleid tot andere manieren om voedselvoorraden voor landbouwhuisdieren op te slaan. Agrariërs zijn een hooiberg daardoor nogal eens als ouderwets gaan beschouwen.
De hooibergen zijn niet systematisch geïnventariseerd. Zelfs in de monumenten-inventarisaties van onze gemeentes wordt er weinig melding van gemaakt. Door hun bescheiden karakter hebben hooibergen nauwelijks actieve sympathisanten (wij kennen geen hooibergenstichting die eigenaren ondersteuning kan bieden, zoals er bijvoorbeeld wel kastelen-, kerken- en tuinenstichtingen zijn). De Boerderijenstichting, die goed werk doet inzake de bewustwording van het gebouwd erfgoed, richt zich voornamelijk op de boerderij zelf. De verschillende bijbehorende elementen krijgen weinig of geen aandacht.
Kortom, nog meer dan de boerderijen zelf staan de elementen die er wezenlijk bij horen onder grote druk. Zonder die elementen dreigen we slechts “geamputeerde” boerderijen over te houden. Daarom menen wij ons thans te moeten laten horen. Wij zijn van mening dat voor het behoud van de cultuurhistorische waarden in het buitengebied meer aandacht dient te worden besteed aan de tot de boerderij-ensembles behorende kleinere elementen. De hooiberg is naar onze mening binnen deze groep het meest kwetsbare element. De hooiberg is echter tevens het element dat zich – mits goed begeleid – heel goed leent voor een verantwoord “tweede leven”.

Actuele betekenis van hooibergen

Hooibergen behoren tot ons culturele erfgoed. Ze maken al vele eeuwen een karakteristiek deel uit van de stoffering van het landschap en vervullen een wezenlijke rol in onze agrarische geschiedenis. Daar kunnen we trots op zijn en dat moeten we ook laten zien. Hoe meer de hooibergen uit een gebied verdwijnen, des te sterker gaat ook kennis over die objecten verloren. Dat wreekt zich, onder meer, als het op authentieke wijze restaureren van hooibergen aan de orde komt. Het bemoeilijkt ook een weloverwogen nieuwbouw van gebouwtjes in hooibergstijl. Ons agrarisch erfgoed raakt wezenlijk incompleet als er geen hooibergen meer zijn. Er is in onze tijd veel animo voor een verbrede landbouw. Daarin wordt vooral rustige recreatie, in verschillende vormen, een economisch aantrekkelijke neventak op het agrarische platteland. Deze recreatie slaat aan bij een toenemend aantal stedelingen. Het platteland is echt nog anders dan de stad, hoeveel kleiner de afstanden ook geworden zijn. De bewoners/gebruikers van het platteland moeten dat anders zijn uitbuiten. Het opruimen van een zo kenmerkend element als de hooibergen zijn en het terzelfdertijd willen aantrekken van in het gebied geïnteresseerde recreanten staan met elkaar op gespannen voet.

Historisch en geografisch kader

Door archeologen gevonden paalsporen in de grond doen vermoeden dat al in de Bronstijd (circa 2100 - 700 v.Chr.) hooibergen bestonden. Schriftelijke vermeldingen komen voor vanaf de Vroege Middeleeuwen. Afbeeldingen zijn bekend sinds de 15de eeuw. Vooral in de noordelijke en centrale delen van het Europese continent waren hooibergen ooit wijd verbreid. (A.R. Hol, 1946. De hooiberg en zijn verspreiding. Volkskunde, nieuwe reeks, jrg. 5, blz. 22 - 43.) In Nederland geldt het weidebedrijf als de oudste sector waarin de kapberg (een dak hangend tussen enige palen) is ingeburgerd. De berg kreeg daar zijn plaats direct achter de stal. De Vechtstreek met het bijbehorende achterland wordt gerekend tot het kerngebied. Hier werd uit wat planken en een dakje veelal een lage “hooiloods” getimmerd als tochtportaal tussen berg en stal, om het naar de stal brengen van het hooi onder winderige en winterse omstandigheden te vergemakkelijken. Tegen onaangename weersomstandigheden werden onderaan de lanen (horizontale dragende kapbalken) vaak afhangende schotten (“hangplanken”) bevestigd. In de met hooi gevulde berg werd aan de zijde van de stal een verticaal “haaggat” uitgestoken. Daardoorheen kon men in het stalseizoen bovenin de berg komen. Naar beneden gegooid hooi werd vervolgens uit het haaggat via de hooiloods afgevoerd naar de stal. De rieten kap van de hooiberg, die een vrij flauwe helling vertoonde, werd in het Sticht Utrecht op traditionele wijze bekroond met een trapsgewijs afgeschoren bundel riet. (R.C. Hekker, 1950. Het hooiberggebied. Volkskunde, nieuwe reeks, jrg. 9, blz. 31 - 40.) Op het oude land, langs de rivieren, komen uitzonderingen voor op de regel dat de berg direct achter de stal staat. Soms was de beschikbare ruimte daarvoor niet toereikend; een voorbeeld biedt de voormalige boerderij Veldzicht, gelegen tussen de rivier de Aa en de Oud Aase Dijk (thans kortweg Oud Aa geheten). In de 20ste eeuw voltrokken zich ingrijpende wijzigingen in het materiaalgebruik. In plaats van de houten roeden kwamen er betonnen en metalen roeden; het riet op het dak werd vaak vervangen door golfplaten. De combinatie van sterkere roeden en een lichtere kap maakte toen dat drieroedige hooibergen met een zeskantige kap algemeen werden, een type dat in de tijd van de hout-met-rietbouw nauwelijks voorkwam. Ondanks hun moderne materialen zijn ook deze hooibergen belangrijke bijgebouwen. Het heffen van de kap was in het verleden moeizaam en niet zelden gevaarlijk werk. Het omhoog draaien gebeurde in ons gebied meestal met een heef (een soort windas waarmee men vanaf de grond de kap omhoog of omlaag kon brengen), soms met een bergwinde (een soort vijzel) of dommekracht (die op het hooi moest worden geplaatst). Vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw werd op grote schaal overgegaan op het gebruik van lieren. Daardoor konden de roeden, die bij de oude houten hooibergen binnen de kap stonden, buiten tegen de kap worden geplaatst. Uit de aanwezigheid van horizontale gaten in houten roeden kan eveneens worden afgeleid of men het heffen van de kap vroeger nog op de ouderwetse manier heeft gedaan. In ongeveer een eeuw tijd zijn allerlei mengvormen ontstaan van oude en modernere hooibergkenmerken. Inmiddels zijn, op enkele kleine restvoorkomens na, de hooibergen in Europa buiten Nederland nagenoeg verdwenen. In sommige regio’s van ons land zijn ook al nauwelijks of geen hooibergen meer te vinden. De meeste hooibergen treffen we nog aan in een strook die van Zuid-Holland via de provincie Utrecht, het Midden-Nederlandse rivierengebied en de Veluwe loopt naar de Achterhoek en de kop van Overijssel. (S. Jurgens, 2007. Alles over hooibergen. Themagedeelte in Deelgenoot [tijdschr. Historische Kring Blaricum], nr. 54, 126 blz.). Onze drie gemeenten maken gelukkig deel uit van die strook. Verscheidene van de nog bestaande hooibergen verkeren echter niet meer in een goede staat. Diverse buiten gebruik geraakte hooibergen zijn verbouwd, soms in stijl (met wanden van gestapelde strobalen of rietmatten), soms met gepotdekselde houten wanden, maar in andere gevallen op een slecht bij het karakter van de berg passende wijze. Ook de kleurstelling is hierbij van belang.

« Terug naar de vorige pagina